Preludia - Unofficial website for Rafal Blechacz

Blog

Jan 2, 2007

A review from opusklassiek (the Netherlands)

by Aart van der Wal, November 2013

Rafal Blechacz (1985) begon al op zijn vijfde met pianolessen. Hij was nauwelijks elf toen hij al meedeed aan uiteenlopende concoursen in en buiten Polen. Zijn internationale doorbraak kwam in 2005, nadat hij alle prijzen in de wacht sleepte die het Internationaal Chopin Concours in Warschau maar te vergeven had: niet alleen de hoofdprijs maar ook de hoogste prijs in de categorieën concert (op. 11), sonate, polonaise en mazurka (waarom niet nocturne, vraag ik me af). Maar misschien het meest opvallende was toch wel dat de jury bij monde van Piotr Paleczny van mening was dat Blechacz qua muzikaliteit zo met kop en schouders boven alle andere deelnemers uitstak dat een tweede prijs niet kon worden vergeven. Een ander jurylid, de Ierse pianist John O’Connor, beschouwde de pas twintigjarige Blechacz als een van de grootste kunstenaars die hij ooit had ontmoet. Bij Deutsche Grammophon moet men toen ook de oren hebben gespitst: eind mei 2006 tekende Blechacz het platencontract. Daarmee trad hij in de voetsporen van zijn grote Poolse collega Krystian Zimerman, die in 1975 het Chopin Concours op zijn naam had gebracht.

Op zondag 10 november a.s. is Blechacz terug in Amsterdam, in de serie Meesterpianisten van Marco Riaskoff. Op het programma: Mozarts Sonate KV 311, Beethovens Sonate op. 10 nr. 3, Chopins Polonaises op. 40 nr. 1 en 2, het Scherzo nr. 3 en Szymanowski’s Eerste sonate. Het zal ongetwijfeld een gedenkwaardige avond worden. Wie zo lang niet kan wachten, kan het spel van Blechacz op 1 november in de Philharmonie in Haarlem bewonderen.

Blechacz behoort met zijn Poolse landgenoten Piotr Anderszewski en Zimerman tot de absolute wereldtop. Als u het drietal ‘live’ wil vergelijken: Anderszewski treedt op 10 april 2014 op in Amsterdam, Zimerman een maand later, op 15 juni.

Terug naar het spel van Blechacz die in ‘zijn’ Chopin laat horen dat diep muzikaal inzicht, verbeeldingskracht en technisch meesterschap altijd nog de beste ingrediënten zijn voor fascinerende vertolkingen die zelfs als ze al lang vervlogen zijn, nog steeds blijven nasudderen. Dit is het spel van de meesterpianist die meerdere dimensies weet aan te boren en de expressieve gelaagdheid waaraan deze muziek zo rijk is op grandioze wijze gestalte geeft. Hij doet dat met een rijk palet aan klankkleuren, minuscule of juist meer uitwaaierende rubati, accelerandi, accentuering en ritmisch gevarieerde, uiterst fijnzinnige pulsatie. Dit alles moet goed overdacht zijn, wat tevens de wonderlijke paradox oplevert van het onvoorspelbare, vrije, bijna improvisatorische: er is de overheersende indruk van flexibiliteit, de muziek beweegt zich in vrije dimensies die evenwel worden beheerst door een conceptuele manier van denken die voortdurend richting geeft aan dit schitterende discours.

Blechacz’ Chopin is, zo blijkt uit de voorliggende opnamen, consistent. Door zowel de préludes en de concerten als de polonaises loopt diezelfde artistieke rode draad, diezelfde connectie waarbinnen alles tot in het kleinste detail wordt gerealiseerd. Blechacz verlaat zijn meester niet en beweegt zich in een volmaakte creatieve dialoog met de partituur. Er is een sterk avontuurlijke kant aan zijn spel, de wil om de traditie naar de eigen hand te zetten, maar tegelijk met het besef dat de wortels van deze muziek én van hemzelf, Pool in hart en nieren, een dominante rol moeten vervullen. Dat is in ieder geval een aspect van zijn vertolkingen: ze leveren de spanningsbogen op een vaak zeer grillige route. Per saldo is dit Chopin-spel dat met zijn romantische maar volkomen natuurlijk uitgewerkte contrasten tussen hemelbestormende exploraties en dieplyrische ontboezemingen uiterlijk vertoon heeft ingewisseld voor de empathie die ook na herhaald beluisteren een overweldigende indruk maakt. Dit is spel dat helaas maar zelden wordt gehoord, waarvoor men door de knieën gaat en waarnaar misschien wel onbewust wordt verlangt. En dat op grond van een concept dat volstrekt helder is en van een perfectie getuigt die bijna ademloos maakt. Complexiteit en eenvoud gaan bij Blechacz hand in hand, met de diep gevoelde essentie altijd binnen handbereik. Blechacz citeert niet, maar hij vertelt, een eigenschap die hij deelt met een Horowitz en een Rubinstein. En dan te bedenken dat Blechacz nu pas achtentwintig is!



Wie kan zich in al die aspecten met Blechacz meten? Om niet al te ver terug in de tijd te gaan en dichtbij DG te blijven: Pollini (zijn kijk op met name de Préludes is en blijft een fenomeen en, zijn EMI-opname van het Eerste pianoconcert, toen vrijwel net zo jong als Blechacz nu, met Paul Kletzki aan het roer is een ware 'klassieker'), Martha Argerich vanaf het prille begin tot nu (haar debuut-cd voor DG blijft fascineren), Zimerman van de vier Balladen, Stefan Askenase misschien. Het is treffend dat het spel van Blechacz de passie en de spontaniteit uitstraalt die we ook terugvinden bij Martha Argerich. Er zijn tussen haar visie op Chopin en die van Blechacz eerder overeenkomsten dan verschillen aan te wijzen (wat trouwens ook geldt voor de combinatie Argerich/Abbado en Blechacz/Semkow). Zimerman daarentegen staat daar dan weer verder vanaf. Wie bijvoorbeeld de beide Chopin-concerten van Zimerman naast die van Blechacz legt, stuit bij Zimerman op een minder pregnant uitgewerkt ritmisch fundament en zijn de fraseringen meer thematisch en minder vanuit de harmonie gedacht: de vloeiende beweging domineert. Het is ook evident dat de Poolse dirigent Semkow, een oudgediende en gepokt en gemazeld in dit repertoire, voor een minder plichtmatige orkestbegeleiding heeft gezorgd dan Carlo Maria Giulini, waarbij de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het KCO gewoon een beter orkest is dan het Los Angeles Philharmonic toen. Waarbij het de taak is van iedere dirigent om de nogal vlakke orkestpartij kleurrijk leven in te blazen. We mogen ons tegenwoordig overigens gelukkig prijzen dat de gehele inleidende orkestexpositie wordt gespeeld: vroeger werd die danig ingekort, zelfs nog tot in de jaren zeventig.

En Lang Lang? Er gaapt een onoverbrugbare kloof tussen diens naar het sentimentele, epaterende neigende spel en de wijze waarop Blechacz zich voegt naar de zich ontwikkelende dramatiek en lyriek in de muziek. Blechacz heeft ook een beter, zo u wilt groter beeld van de muzikale structuur en werkt die navenant uit. Waar Blechacz het hart, de kern opzoekt, blijft Lang Lang - het is de consequentie van zijn aanpak - aan de buitenkant. Blechacz neemt de handschoen op die onmiddellijk past. Bij Lang Lang is die afwisselend een maat te groot of te klein. Pregnante harmoniewisselingen mis je bij Blechacz nooit, hij speelt er als het ware naartoe, licht ze zo op dat het expressieve karakter van de muziek naar een hogere dimensie reikt. Dat is niet gekunsteld, opgelegd, maar maakt deel uit van de natuurlijke stroom die Blechacz voortdurend onderhoudt. Stilistische overeenkomsten met het grandioze spel van de veel te vroeg gestorven Youri Egorov dringen zich op. We zijn in het huis van de dichter. Blechacz’ Chopin is van het kaliber om mee te leven; en daarmee is alles samengevat. We mogen ons gelukkig prijzen dat ‘zijn’ klank zo mooi door de DG-technici werd gevangen.

DG heeft nog meer jonge pianistieke ijzers in het vuur: de Canadees-Poolse Jan Milosz Lisiecki, pas achttien, maar her en der al tot een van de allergrootste pianotalenten uitgeroepen en door een Engels muziektijdschrift tot 'Jonge Artiest van het Jaar'. We zullen het ongetwijfeld nog gaan zien en horen! Dichter bij huis zijn het de broers Jussen die zich in de belangstelling van het gele label mogen verheugen, twee talenten die al danig van zich hebben doen spreken en waaraan we uiteraard eveneens aandacht zullen besteden. Alles op zijn tijd, zal ik maar zeggen.




No comments:

Post a Comment

Note: Only a member of this blog may post a comment.